Arduino vanonder 't fijnstof
logo

Arduino vanonder 't fijnstof

Module 1 Module2 Module3 Module4 Module5 Module6

   Fijnstof en je gezondheid



Fijnstof komt via onze neusgaten (of onze mond) ons lichaam binnen.

Om te kunnen begrijpen waarom fijnstof schadelijk is voor onze gezondheid, gaan we nu haar verdere pad bekijken in de luchtwegen.

Lees in het onderstaande krantenartikel de paragraaf over fijnstof en over levensverwachting.

  Opdracht 1

Sleep de lichaamsdelen van het ademhalingsstelsel bij de juiste letter in de 2de kolom.




1. Bescherming tegen stofdeeltjes in de neusholte

Het lichaam zal zich proberen te beschermen tegen stofdeeltjes die niet in onze luchtwegen thuishoren. Dit start al in de neusholte.




  Opdracht 2

Sleep de woorden naar de juiste vakjes.




2. Bescherming tegen stofdeeltjes in de luchtpijp

Ook de luchtpijp is bekleed met trilhaartjes en slijm die samenwerken om de stofdeeltjes terug naar boven richting keelholte te krijgen.

  Opdracht 3

Snuiten, niezen of hoesten kan ons beschermen tegen stofdeeltjes. In welke delen van de luchtwegen helpen deze mechanismen ons? Selecteer de lichaamsdelen. Er zijn soms meer dan een mogelijkheden.




3. Hoe komen sommige stofdeeltjes in onze bloedvaten terecht?

De zeer kleine stof deeltjes worden niet tegengehouden door de beschermingsmechanismen in de bovenste luchtwegen van ons lichaam en zijn het gevaarlijkste voor onze gezondheid. Zij geraken tot in de onderste luchtwegen.

Op deze figuur zie je wat we bedoelen met bovenste en onderste luchtwegen.

Bovenste luchtwegen Onderste luchtwegen


Anderzijds worden onze luchtwegen ook opgedeeld in een conductie- en een respiratorische zone.

Conductiezone Respiratorische zone


De conductiezone in onze luchtwegen bestaat uit de bovenste luchtwegen en de onderste luchtwegen tot net voor de longblaasjes.
Haar taak is om luchtdeeltjes op een efficiënte manier aan te zuigen en weg te blazen tijdens de ademhaling.


Wanneer we aan de kleinste onderverdelingen geraken van de bronchiale boom zien we trosjes bestaande uit longblaasjes.

 


Op deze plaats komen de luchtwegen en de bloedsomloop met elkaar in contact. Hier worden de gassen uit de buitenwereld die via de longen zijn binnen gekomen, uitgewisseld met de gassen uit de bloedsomloop die afkomstig zijn van onze cellen.
We noemen dit verschijnsel uitwendige ademhaling of externe respiratie.





CO2 O2 Hemoglobine


Kleine en grote bloedsomloop



Fase 1

De rode bloedcel met zuurstof gaat via de longader naar het linkerdeel van het hart.

Fase 2

Vanuit de Aorta (de grootste slagader in ons lichaam) zal de zuurstof op de rode bloedcel reizen naar een bepaald deel van ons lichaam tot in de kleinste haarvaatjes.

Fase 3

Op deze plaats is er interne ademhaling of interne respiratie waar O2 en CO2 uit de cellen worden uitgewisseld.

We komen hier later nog op terug.

Fase 4

De rode bloedcellen vervoeren nu CO2 (een afvalstof van de celademhaling) terug naar het hart (rechterdeel).

Fase 5

De longslagader brengt het bloed (rijk aan CO2) naar de longen waar het dan door uitwendige ademhaling of externe respiratie naar de luchtwegen gaat.




4. Fijnstofdeeltjes in ons lichaam

Om te bepalen of fijnstof gevaarlijk is, moet je vooral 3 eigenschappen ervan kennen:

  • samenstelling
    • zijn het stoffen die irritaties, ontstekingen, allergieën of kankers kunnen veroorzaken?
  • grootte
    • hieronder zie je een figuur van hoe diep PM 10; PM2,5; PM 1 ... in ons lichaam dringen.
  • concentratie
    • hoeveel fijnstof hangt er in de lucht? En hoelang?

  Opdracht 4

Duid aan door op het juiste rode bolletje te klikken

  • Fig A: Duid op deze figuur aan hoe diep de grove ( ? )( deeltjes met afmetingen tussen 2,5µm en 10µm) fractie fijnstof in de luchtwegen zakt
  • Fig B: Duid op deze figuur aan hoe diep de fijne ( ? )(deeltjes met afmetingen tussen 1µm en 2,5 µm)fractie fijnstof in de luchtwegen zakt
  • Fig C: Duid op deze figuur aan hoe diep de ultra fijne ( ? )(deeltjes met afmetingen kleiner dan 1µm) fractie fijnstof in de luchtwegen zakt

Fig.A

Fig.B

Fig.C